Sumo, een spektakel

Sumo, een spektakel

Neutraler dan de man in het zwarte streepjespak, drie rijen lager, worden ze niet gemaakt. Zijn haar zit in een keurige scheiding. Stropdas strak om de nek, de punt netjes weggestopt in zijn jasje. Ik schat hem halverwege de vijftig. Een centimeter of 170. In het dagelijks leven leidt hij een stoffige bedrijfsafdeling van een traditioneel bedrijf met een lange geschiedenis, zo stel ik me voor. Hij begon ooit onderaan, maar zijn natuurlijke charme en doorzettingsvermogen bleven niet onopgemerkt en leverden hem de functietitel manager op. Hier stopt het echter. Voor de zoon van een eenvoudige arbeidersfamilie zit verdere promotie er niet meer in. Het doet hem weinig. Hij ambieert geen topfunctie. Na zessen ziet hij liever zijn vrouw dan het gelakte tafelblad in de vergaderzaal.

De man zit in kleermakerszit op een paars kussentje. Hij vist met houten stokjes stukjes rauwe zalm uit zijn lunchbox, gekocht bij de dame waar ik mijn onigiri, rijstballen, vandaan heb. Hij plukt eens aan zijn sokken, giet daarna de inhoud van een blikje Asahi in zijn keel. Hij maakt een praatje met zijn buurman. Hij lacht. Hij grapt. En hij geniet van het schouwspel dat zich voor zijn ogen afspeelt. Hier nam hij een onbetaalde vakantiedag voor op. Hier leeft hij voor. Sumo.

Ik geef hem geen ongelijk. Sumo is een spektakel. Ik kwam zonder verwachtingen naar Nagoya om de vierde dag van het toernooi bij te wonen, maar nu ben ik om. Ieder duel is een uiterste krachtmeting waarvan een gigantische hoeveelheid energie afspat die door het publiek wordt geabsorbeerd. Gorilla’s van kerels beuken met onvoorstelbare kracht in elkaar. Ik voel de tribune bijna schudden.

Het gevecht duurt nooit lang. Een halve minuut. Een minuut. Soms niet langer dan een paar seconden. Zodra één van de worstelaars met zijn voet buiten de rand van de verhoogde ring stapt of zijn evenwicht verliest en met een smak op de grond belandt, is het over en begint een reeks rituelen die me weinig zegt. De winnaar wordt gezegend. Een man met een bezem komt op en veegt de ring vlak — ik zou hem hier niet noemen als hij er niet bij gezongen had. Ondertussen beklimmen twee nieuwe worstelaars traag het trapje naar het centrum van de aandacht. Er wordt gestampt en met zout gegooid. De worstelaars knielen neer, lokken elkaar uit, staan dan weer op en stampen nog eens. Als beide reuzen twee vuisten op de grond hebben, vliegen ze elkaar in de haren met een snelheid die me meer doet denken aan een hongerige jachtluipaard dan aan een halfnaakte vent met honderdvijftig kilo aan extra bagage.

Wanneer zijn favoriete worstelaar opkomt, fluit de man in het zwarte streepjespak goedkeurend. Hij vouwt zijn handen als een toeter om zijn mond en begint te schreeuwen. “Kakuryu! Pak hem, leg hem neer!” Dat Kakuryu geen Japanner is maar een Mongoolse worstelaar, één van velen tegenwoordig, maakt hem niets uit. Afkomst is onbelangrijk. Het gaat erom dat je presteert en de tegenstander verslaat — het liefst met stijl. En daarin heeft Kakuryu zich bij de man in het zwarte streepjespak allang bewezen.

Na de wedstrijden blijft de man nog even zitten. Wanneer de meeste toeschouwers de weg naar buiten hebben gevonden, strekt hij zijn benen en trekt langzaam zijn schoenen aan. Hij knipoogt charmant naar de dame van de lunchboxen (ze zwaait lachend terug) en wandelt dan op zijn gemak naar het dichtstbijzijnde metrostation waar hij opgaat in de chaos van de miljoenenstad. Terug naar zijn vrouw.

Rolf
Geplaatst op:
Auteur